#title: Werkgroep EU-Raad van Ministers 2004 Werkdocument Softwarepatenten #descr: Het Ierse voorzitterschap van de EU-Raad heeft een document verspreid onder de verschillende ministeries, dat alternatieven suggereert voor de amendementen die het Europees Parlement (EP) gestemd heeft voor de richtlijn %(q:over de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen). De versie van de Raad legt, in sterk contrast met de EP-versie, absoluut geen beperkingen op wat betreft octooieerbaarheid en het afdwingen van octrooien. Volgens de huidige versie zouden %(q:in computers geïmplementeerde) algoritmen en methoden voor bedrijfsvoering uitvindingen worden in de zin van het octrooirecht, en de publicatie van een functionele beschrijving van een gepatenteerd idee zou een patentinbreuk vormen. Communicatieprotocols en gegevensformaten zouden kunnen gepatenteerd worden en zouden dan niet vrijelijk te gebruiken zijn, zelfs niet voor interoperabiliteitsdoeleinden. Deze implicaties zijn echter misschien niet onmiddellijk duidelijk voor de onbedachtzame lezer. Hier proberen wij de misleidende taal van het voorstel te ontcijferen en haar implicaties uit te leggen. #ltp: Botsing in plaats van Compromis #kWr: Publicatie van Programma's Niet Toegelaten, Alle Bruggen Verbrand #eiW: Geen Vrijgave van Programma's: Nog een Stap Verder Weg van het Parlement #bea: Interoperabiliteit met Gepatenteerde Standaarden Niet Toegestaan #tng: Patenteerbaarheid Gelimiteerd door Betekenisloze Termen, Definities Verwijderd #tef: Technische Aard Vermengd met het Niet voor de Hand Liggend Zijn #edj2: %(q:In een computer geïmplementeerde Uitvinding) als Trojaans Paard #bra: Nietszeggende Beperkingen, Ingewikkelde Dubbelzinnigheden #ien: Opzettelijke Vernietiging van de EU-Richtlijn? #ruo: Het %(q:werkdocument) van het Ierse Voorzitterschap geeft de staat weer van de onderhandelingen op het niveau van de %(q:Werkgroep voor %(tp|Intellectueel Eigendom|Octrooien) van de Raad), hieronder afgekort als %(q:Patentenwerkgroep) of %(q:Werkgroep), zoals bereikt op hun laatste bijeenkomst in Brussel op 2003/11/27. Afgezien van een paar formuleringen, is dit document identiek aan het document van de Werkgroep van november 2002. Van alle tot hiertoe bekende voorstellen, belichaamt het ontwerp van de Werkgroep de meest verregaande goedkeuring van onbeperkte octrooieerbaarheid. Deze radicaliteit is echter vaak verborgen in subclausules en omgeven door holle beperkingsretoriek, zodat onervaren of onbedachtzame lezers er gemakkelijk kunnen over lezen. #utd: Een paar formuleringen van het %(ju:rapport van het Committee van Juridische Zaken JURI van juni 2003) zijn opgenomen, maar deze bevestigen enkel de algemene lijn van onbeperkte octrooieerbaarheid. Het JURI-rapport zelf was gebaseerd op het %(dk:werkdocument van de Werkgroep uit november 2002) en negeerde grotendeels de aanbevelingen van de %(ci:andere twee betrokken committees, CULT en ITRE). In haar plenaire bijeenkomst besloot het EP echter CULT en ITRE te volgen door octrooieerbaarheid te beperken en om JURI terug te fluiten (en bijgevolg ook de Werkgroep van de Raad) voor zover dit nodig was. In de Plenaire Stemming van 2004/09/24 vervingen de Europarlementsleden nietszeggende beperkingen door echte beperkingen. JURI-formuleringen werden behouden daar waar zij echte beperkingen niet onmogelijk maakten. Nu kiest de Werkgroep van de Raad weerom de kant van zijn bondgenoot, JURI, en negeert de amendementen van het Europees Parlement en van CULT en ITRE. Bovendien zijn een aantal kritieken i.v.m. octrooien van individuele Werkgroepleden uit november 2002, die gelijkaardig zijn aan stellingen die het Europees Parlement in plenaire in september 2003 heeft aangenomen, verwijderd uit de nieuwe versie van de Werkgroep. Deze versie bestempelen als een %(q:compromisdocument) is bijgevolg uiterst misleidend. Het vorige %(q:compromisdocument) uit 2002 gaf niet aan tussen welke belangen een compromis zou gevonden zijn, en ook deze keer is er geen vermelding van de betrokken partijen en hun belangen. Vermits de benadrukte veranderingen ten opzichte van de vorige versie echter allemaal van het Europees Parlement komen, lijkt het op het eerste zicht dat dit document een compromis tracht te bekomen tussen de Raad en het Parlement. Bij nader inzien blijkt het echter dat de Raad verder dan ooit van het Parlement staat. #nie: In wat volgt zullen we dit duidelijk maken door de voorstellen van de Raad over een aantal belangrijke betwiste vragen te vergelijken met deze van het Parlement. #gsW: Programmaconclusies zijn octrooiconclusies van de vorm #ben: een computerprogramma, waardoor na het laden ervan in het geheugen van een computersysteem, de berekening zoals beschreven in Conclusie N wordt uitgevoerd. #oWs: De formulering %(q:computerprogramma) in bovenstaande zin kan vervangen worden door %(q:een programma op schijf), %(q:een computerprogrammaproduct), %(q:een gegevensstructuur), %(q:een medium dat leesbaar is door een computer) of andere varianten. Het punt is dat het object van de conclusie niet langer een materieel product of proces is, maar een constructie bestaande uit gegevens, informatie of andere abstracte entiteiten, mogelijk in combinatie met een niet verder gespecificeerd en niet-inventief medium. #Wtt: Dit type van conclusie is ingevoerd in Europa in 1998 door twee beslissingen van de Technische Raad van Beroep van het Europese Octrooibureau. In de VS zijn ze ook nog maar recent ingevoerd door het US Patent Office: dit gebeurde na de hoorzittingen van 1994 (die een overweldigende tegenstand tegen softwarepatenten aangaven). Programmaconclusies zijn controversieel vanwege het feit dat #dyr: Programmaconclusies breken met de traditionele systematiek van het octrooirecht, volgens dewelke fysische objecten gemonopoliseerd worden in ruil voor het vrijgeven van %(q:informatie-objecten), i.e. informatie is wat vrijgegeven wordt, niet wat gemonopoliseerd wordt door het toekennen van het patent; #tvW: Programmaconclusies omvatten letterlijk computerprogramma's als zodanig en kunnen dus nauwelijks worden gerechtvaardigd door eender welke zinvolle interpretatie van Art 52 EPC; #nce: Programmaconclusies gaan regelrecht in tegen de vrijheid tot publicatie zoals gestipuleerd in Art 10 van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (ECHR) #r1s: Octrooimonopolies vallen niet onder die rechten die, volgens Art 10(2) EHCR, een beperking van de vrijheid tot publicatie kunnen rechtvaardigen #reo: Programmaconclusies onderwerpen ontwikkelaars en verdelers van software, evenals %(tp:tussenpersonen: b.v. Internet service providers), aan de dreiging van octrooiprocessen, door ze als producenten en verdelers van industriële producten te beschouwen; #cgd: Programmaconclusies hebben geen praktisch nut: het zou eenvoudiger zijn om het aanbieden van informatiegoederen als %(e:indirecte octrooiinbreuk) te vervolgen en om de modaliteiten van dit type van inbreuken apart te reguleren, hierbij de bijzonderheden van de informatie-economie in acht nemende. #dea: Het voorstel van de Europese Commissie adviseert tegen programmaconclusies #leW: Het Europees Parlement (CULT+ITRE+Plenaire) volgt de Commissie wat dit punt betreft en, met haar nieuw Art 7 (gestemd als Art 5.1d), stipuleert ze bovendien dat vrijheid tot publicatie niet mag beperkt worden door octrooiconclusies: #ing: De Werkgroep van de Raad verwerpt de voorstellen van de CEC en het EP en dringt aan, met haar artikel 5.2, op programmaconclusies: #ise: Deze formulering is misleidend op verschillende manieren: #crW: De %(q:indien)-clausule is op geen enkele manier beperkend. Eender welke programmaconclusie kan verwoord worden als een proces- of productconclusie van dewelke deze programmaconclusie kan afhankelijk gemaakt worden. #loe: zie hierboven #iWe: Het voorzetsel %(q:slechts) liegt. Het vervult geen regulerende functie. Lees de zin opnieuw zonder dit voorzetsel en zonder de betekenisloze indien-clausule! #tph: Het moet opgemerkt worden dat de Duitse versie sterk afwijkt van de Engelse, Nederlandse en Franse versies. %(q:put into force) en %(q:mettre en oeuvre) (in de praktijk laten werken) is mijlen verwijderd van %(q:begründen) (rechtvaardigen). We baseren onze analyse op de Engelse en Franse versies. Ze zou gedeeltelijk herschreven moeten worden voor de Duitse die, als het ware een Freudiaanse fout makens, direct lijkt toe te geven dat het de aanwezigheid van een programma is dat in de rechtvaardiging voor het patent voorziet. #rnp: Het bestaan van programmaconclusies veranderd de systematiek van het octrooirecht en plaatst software eerder in het midden dan aan de rand van het systeem. #cnr: De Werkgroep van de Raad beweert dat het programmaconclusies %(q:enkel) als afgeleide conclusies ziet, van %(q:pure bevestigende aard), zoals gezegd in de rechtvaardigingen van de overeenkomstige JURI-amendementen. Dit kan echter niet waar zijn, vermits: #rcg: Van elke programmaconclusie kan een equivalente procesconclusie afgeleid worden. Omgekeerd gaat dit niet. #aoc: Een programmaconclusie is %(tp|algemener|i.e., minder specifiek) dan de overeenkomstige procesconclusie. De procesconclusie bepaalt niet enkel de gegevensstructuur, maar eveneens een gebruik van deze gegevensstructuur (b.v. uitvoering door een computer of zelfs door gespecialiseerde apparatuur). #Ebn: De meest algemene conclusie in een octrooispecificatie (i.e., de conclusie met de minste eigenschappen) beschrijft meestal het best wat is toegevoegd aan de stand van de techniek. De %(q:technische bijdrage) van een softwarepatent kan gevonden worden in de programmaconclusie, terwijl de toegevoegde kenmerken zoals %(q:uitgevoerd in computergeheugen) enkel van bevestigende aard zijn. #Wet: Het is steeds mogelijk om onafhankelijke conclusies te formuleren als %(tp|afhankelijke|bevestigende) conclusies en vice versa. Dergelijke forumuleringsoefeningen maken de echte afhankelijkheden enkel ondoorgrondelijker. #Wsg: De Onderzoeksrichtlijnen van het Europese Octrooibureau (EOB) uit 1978 leggen de uitsluiting van %(q:programma's voor computers) in Art 52(2) EPC uit als volgt: #rdr: Hier neemt ook het EOB aan dat een %(q:conclusie op het programma als zodanig of een programma opgenomen op een magneetband) de normale vorm is van een programmaconclusie. Het merkt echter eveneens op dat hetzelfde object aangegeven kan zijn als %(q:proces voor het besturen van een .. computer) or als een %(q:computer, gekarakteriseerd door dat ..) en dat dergelijke pogingen tot het bekomen van softwarepatenen door herformuleringen verwacht kunnen worden. #rww: Waar de oorspronkelijke EOB-richtlijnen correct de herformulering van programma's als processen als een woordspelletje aanduidde, nemen zijn beheerders vandaag niet alleen aan dat deze truc toegelaten is, maar dat herformulering van die vorm naar de programma's als zodanig eveneens toegelaten moet zijn, aangezien het slechts een herformulering is. #mis: Uit de octrooieerbaarheid van computerprogramma's volgt, om het met de woorden van het EOB uit 1978 te zeggen, dat %(e:de bijdrage tot de stand van de techniek enkel moet bestaan uit een computerprogramma), i.e., dat de %(q:technische bijdrage) beperkt kan worden tot rekenen met abstracte entiteiten van virtuele machines zoals Von Neumann's Universele Computer (die aan de basis ligt van elke moderne computer). Hierdoor wordt aangetoond dat de onbepaalde wettelijke concepten waardoor de Werkgroep van de octrooieerbaarheid wil beperken (zie verder) nooit een beperkende betekenis kunnen hebben. Een uitzondering van methoden voor bedrijfsvoering kan evenmin bekomen worden onder deze voorwaarden, omdat methoden voor bedrijfsvoering gewoon een specifieke vorm van regels voor gegevensverwerking zijn. #rrr: Door informatie-objecten als industriële goederen te beschouwen, sluit de Werkgroep van de Raad ook alle discussies uit over de beperking van octrooieerbaarheid met betrekking tot niet enkel de vrijheid tot publicatie, maar tot elke vrijheid die zou kunnen worden gevonden in de informatieaard van het object. #idK: De situatie wordt alleen maar erger gemaakt door het toevoegen van omfloersende toelichtingen, zoals 7a: #Wtw: De onervaren lezer zal geloven dat dit programmaconclusies uitsluit. Jammer genoeg is het omgekeerde waar. Samen met Art 5(2) zegt de toelichting dat een conclusie op een %(q:programma, gekarakteriseerd door zijn [functionaliteit]) geen conclusie is op een programma als zodanig. Als uitleg voor de schijnbare tegenspraak suggereert het dat een %(q:programma als zodanig) moet geïnterpreteerd worden als het %(q:uitdrukkingsaspect) van het programma (i.p.v. het functionele aspect). I.e., een beperkte conclusie op %(q:een programma, gekarakteriseerd door de tekst die in tekstvak 1 staat) moet geweigerd worden als een conclusie op een individuele uitdrukking, terwijl een zeer brede conclusie op %(q:een programma, gekarakteriseerd door dat het [doet wat in tekstvak 1 staat]) is toegelaten. Niemand is geïnteresseerd in beperkte conclusies. Een conclusie op een bepaalde programmatekst zou enkel overeenkomen met een soort zwakke vorm van auteursrecht en waartegen niemand een bezwaar zou hebben. Het doel van het opwerpen van het non-issue van %(q:uitdrukkingsoctrooien) in het voorstel van de Raad is niet om iets te regelen, maar om de wetgevers te verwarren over wat geregeld wordt. #br2: In het werkdocument van 2002 van de Raad, gaar Art 2.4B als volgt: #hhw: Art 7 van het Europees Parlement stelt nog duidelijker dat het patentensysteem publicaties van programmateksten (broncode) als gedeelte van de vrijgave moet aanmoedigen, i.p.v. het te verbieden als deel van het toegekende monopolie: #egm: Het nieuwe werkdocument van de Raad vermeld een dergelijke eis in geen enkele vorm, en heeft zich dus verder gedistantieerd van een compromis met het Parlement. #i0l: Art 6 van de Europese Commissie stelt een betekenisloze beperking van de afdwingbaarheid van octrooien voor, dewelke de Raad nog meer beperkt: #moi: Deze voorziening laat decompilatie (het terug omzetten van machinecode naar programmacode) van geoctrooieerde programma's toe, een onderzoeksdaad gesteld in de privésfeer dewelke om te beginnen al helemaal niet door octrooien kan verboden worden. De programma's die uit dergelijk onderzoek voortspruiten kunnen echter nog steeds inbreuk maken op octrooien, en Art 6 impliceert dat dergelijke octrooien mogen afgedwongen worden tegen de programma's, zelfs wanneer dit enkel gebeurt om interoperabiliteit te waarborgen. Bijgevolg beweert Art 6 interoperabiliteit te beschermen, maar doet in praktijk net het omgekeerde: het zorgt ervoor dat niemand communicatiestandaarden kan gebruiken die onder één of meerdere patenten vallen, zonder een licentie van de octrooihouders. #tKa: Het Europees Parlement werd niet misleid. Alle Committees (CULT, ITRE, JURI) en de Plenaire stemden voor een echt interoperabiliteitsprivilegie: #Wtr: Het werkdocument van de Raad verwerpt de stem van het Parlement en dringt aan op het laten domineren van communicatiestandaarden door octrooihouders. #sWt: Wanneer een bestandsformaat onder octrooien kan vallen, wordt het onmogelijk voor een concurrent om het te converteren naar een ander bestandsformaat. Dit versterkt monopolistische tendensen in de softwaremarkt. Standaardisatieconsortia zoals de W3C (verantwoordelijk voor de world wide web-standaarden) worden regelmatig vertraagd door pogingen van octrooi-eigenaars om octrooitaxen te heffen op een standaard. Standaarden waarop een octrooitax rust, leggen zware lasten op de schouders van de beheerders van de standaard zelf en op de makers van software die deze standaarden ondersteunt. Vrije software kan hier meestal niet aan voldoen. Wanneer één maker op zijn eentje een standaard domineert met octrooien, wordt de situatie nog erger. Microsoft is reeds bezig met het introduceren van geoctrooieerde protocollen die beschikbaar zijn onder licentievoorwaarden die vrije software expliciet uitsluiten. Zelfs de huidige concurrentieprocedures van de Europese Commissie tegen Microsoft hebben daar tot hiertoe niets aan veranderd. Concurrentiewetgeving op zichzelf, zonder verder voorzieningen zoals deze van Art 6a, valt buiten het bereik van gewone spelers op de vrije markt. Ze voorziet eveneens onvoldoende remedies tegen anti-competitieve praktijken met dewelke de dominantie van communicatiestandaarden normaal gezien worden geassocieerd. #tWW: In de versie van 17 maart gaat de tekst nog een stap verder. Een nieuw verwoorde toelichting 17 geeft aan dat het recht van interoperabiliteit niet geregeld zal worden in het octrooirecht, maar enkel met het mededingingsrecht: #Wde: Hierdoor geeft de Werkgroep de indruk dat het rekening houdt met de noden voor interoperabiliteit. Bij nader inzien blijkt echter dat net het omgekeerde bewerkstelligd wordt: zonder een kostelijke, lang en zelden succesvolle juridische procedure zulle softwaremakers, volgens de versie van de Octrooiwerkgroep van de Raad, hun programma's niet mogen laten samenwerken met deze van derden. #uaW: Door deze verstrakking van zijn positie beantwoord de Werkgroep van de Raad het volgende voorstel van de Luxemburgse Delegatie: #Wnb: Delegaties zullen hieronder een voorstel vinden van de Luxemburgse delegatie voor een interoperabiliteitsclausule (nieuw artikel 6a) om toe te vaken aan de tekst van de voorgestelde Richtlijn. De voorgestelde tekst is gebaseerd op amendement 76 van het Europees Parlement, maar is beperkter in de zin dat het het voorbeeld neemt van het oorspronkelijk amendement en dat als de enige toelaatbare uitzondering toelaat om interoperabiliteit te bekomen. Deze striktere verwoording zou de voorziening volledig overeenkomstig Artikel 30 TRIPS moeten maken. #EWe: Dit voorstel komt overeen met het artikel in de vorm waarin het was goedgekeurd door de Parlementaire Commissies CULT, ITRE en JURI. Het vermijdt de term %(q:belangrijk doel), wat toegevoegd werd in de plenaire stemming. Hierdoor kwam de Luxemburgse delegatie volledig tegemoet aan de %(kk:kritiek van de Commissie) en de vereist van de drie-stappen-test (beperkte beperking) van Art 30 TRIPs. Door het voorstel van Luxemburg te weigeren en daarmee de positie van de drie betrokken commissies van het Europees Parlement, toont de octrooiwerkgroep aan dat Art 30 TRIPs niet haar hoofdzorg is. Het lijkt er eerder op dat belangen rond tolheffing op communicatiestandaarden, waarvoor recent geijverd werd door de CEO's van %(te:vijf grote Europese telecommunicatiebedrijven), de drijvende kracht zijn achter de onverzettelijkheid van de octrooiwerkgroep van de Raad. #efW: In de Europese octrooiwetgeving worden octrooieerbare uitvindingen beperkt op twee manieren: #edj: Negatieve definitie: bepaalde types van verwezenlijkingen worden gedefinieerd als zijnde non-uitvindingen in Art 52(2) EPC. Hieronder vallen o.a. verwezenlijkingen op gebied van informatie, programmeren en bedrijfsvoering. #fsu: Positieve definitie: rechtbanken in Duitsland en elders hebben %(q:technische uitvinding) gedefinieerd als %(q:oplossing van een probleem gebruikmakend van beheersbare natuurkrachten) of iets gelijkaardigs, en hierdoor de lijst van negatieve definities in Art 52(2) EPC veralgemeend. #ein: De Commissie en de Raad verwerpen elke definitie van wat een octrooieerbare uitvinding is, zowel in negatieve als in positieve zin. Aan de ene kant laat de Commissie octrooieerbaarheid afhangen van abstracte concepten zoals %(q:technische bijdrage), aan de andere kant weigert ze deze concepten te definiëren, of verstrekt ze enkel tautologische definities. #eWn: Het Parlement heeft zowel positieve als negatieve definities voorgesteld. #eai: Negatieve #oii: Positieve #iNe: Positieve en negatieve samen #nWg: De Raad staat op haar non-definitie en maakt bovendien duidelijk dat het concept van technische uitvinding, zelfs indien het gedefinieerd wordt door een rechtbank, niet kan dienen tot het beperken van octrooieerbaarheid. #ecb: De Raad zegt dat het voldoende is indien er iets technisch voorkomt in het bereik van sommige conclusies. Conclusies zonder enige technische component, zoals programmaconclusies, zijn bijgevolg mogelijk (zolang er ook andere conclusies met technische componenten binnen hun bereik zijn). Bovendien stelt de Raad duidelijk dat de technische bijdrage, i.e. de nieuwe oplossing die het toekennen van het octrooi rechtvaardigt, mag bestaan uit enkel en alleen niet-technische elementen. Het is genoeg indien nieuwe %(tp|wiskundige regels|algoritmen) gecombineerd worden met %(tp|gekende apparaten|de universele computer) om een %(q:technisch probleem) op te lossen, b.v. om het aantal benodigde muisklikken te verminderen. Een dergelijke %(q:oplossing voor een technisch probleem) wordt dan een %(q:technische bijdrage) genoemd, ongeacht of de oplossing zelf technisch is. De %(q:technische bijdrage) moet niet eens nieuw of niet voor de hand liggend zijn. Het is genoeg indien een %(q:technisch probleem) geconstrueerd kan worden en op een of andere manier geassocieerd kan worden met de %(q:uitvinderswerkzaamheid). #hen: Het Parlement stelt %(q:technische bijdrage) gelijk aan %(q:uitvinding). Dit het gewone gebruik van deze termen in oudere handleidingen over het octrooirecht, evenals in een groot deel van de hedendaagse rechtspraak. Bijgevolg is een %(e:uitvinding) een bijdrage van technische kennis aan de stand van de techniek, ook %(q:technische leerregel) of %(q:technische bijdrage) genoemd. De octrooiconclusies moeten de uitvinding belichamen en tezelfdertijd de reikwijdte bepalen van de exclusiviteit die erdoor gerechtvaardigd wordt. Op die manier kunnen sommige conclusie-elementen een niet-technische bijdrage beschrijven (b.v. een vernieuwend algoritme). Bijkomende conclusie-elementen kunnen dan weer technisch zijn (b.v. %(q:laad het programma in het geheugen en voer het uit)), maar geen enkele vernieuwing beschrijven. Deze laatsten dienen eerder om de reikwijdte van de conclusies te beperken. Vermits een octrooiadvocaat vrij is om eender welke reikwijdte te definiëren wat de conclusies betreft, zolang dat deze reikwijdte de technische bijdrage omvat, is het steeds mogelijk, en in feite zelfs onvermijdelijk, dat de reikwijdte van de conclusies technische elementen zal omvatten. Door te %(q:eisen) dat de reikwijdte van de conclusies %(q:technische elementen moet bevatten), legt de Werkgroep van de Raad dus niet de minste beperking op. Bovendien impliceert dit dat de technische bijdrage kan bestaan uit enkel en alleen niet-technische elementen. B.v., een niet-technisch algoritme kan meetellen als een technische bijdrage, indien de reikwijdte van de conclusies in zijn geheel technische elementen omvat. Dit leidt tot het besluit dat, zoals geschreven in Toelichting 12 van het voorstel van de Werkgroep, alle %(q:in computers geïmplementeerde) conclusie-objecten, inclusief algoritmen, methoden voor bedrijfsvoering etc, %(q:tot een technisch veld behoren). #aWW: Deze Toelichting 12 zegt net hetzelfde als wat de Commissie zegt in haar zwaar bekritiseerde Artikel 3, waarvan de verwijdering ook aanbevolen wordt door de Werkgroep van de Raad: #RiW: Het enige verschil tussen Toelichting 12 van de Raad en Artikel 3 van de Commissie, is de presentatievorm. De Commissie zegt rechttoe-rechtaan wat ze wilt, de Raad verbergt haar bedoelingen in een %(q:hoewel)-formulering en omhult haar met betekenisloze beperkingsretoriek. #esK: De Franse delegatie in de Raad verwierp de implicaties van Toelichting 12, evenals het Europees Parlement. Toen Arlene McCarthy de truc van de Raad probeerde uit te halen met het JURI-Committee, daalde haar geloofwaardigheid. Toen JURI hem steunde met een 2/3 meerderheid, stevende hij af op verwerping in de Plenaire. #Rkt: Sommige mensen zouden hierdoor geneigd zijn te denken dat de Werkgroep van de Raad zijn les zou geleerd hebben en op zijn minst de Franse aanbeveling zou volgen. Het tegendeel is echter gebeurd: de oude en onsuccesvolle tactiek wordt behouden en de bedenkingen van de Franse delegatie zijn verwijderd. #dnG: Volgens de doctrine van het EOB in de Pensioenvoordelenzaak uit 2000, dewelke de basis vormt voor de voorstellen van de Commissie en de Raad, is alles wat uitgevoerd wordt door een computer een technische uitvinding. Om niettemin in staat te zijn sommige conclusies i.v.m. methoden voor bedrijfsvoering te weigeren, zegt het EOB dat de voorwaarde voor de technische aard op een of andere manier impliciet is opgenomen in de voorwaarde wat betreft de uitvinderswerkzaamheid. Zeer weinig mensen begrijpen wat dit betekent, en zelfs octrooiadvocaten klagen regelmatig dat ze de EOB's esoterische leerregels op dit gebied niet begrijpen. Onder de critici bevinden zich bekende geleerden en rechters, waaronder sommigen zeer moeilijk verdacht kunnen worden van tegen softwarepatenten te zijn. De VS Handelsvertegenwoordige heeft %(us:gewezen op het feit) dat deze EPO-doctrine het systeem van Art 27 TRIPS overtreedt. De Toelichting van de Commissie van 2002/02/20 merkt op: %(orig:Zoals in toelichting 11 en Artikel 3 aangegeven, moet het aanwezig zijn van een %(q:technische bijdrage) niet worden beoordeeld in combinatie met nieuwheid, maar onder uitvinderswerkzaamheid. Ervarding heeft geleerd dat deze aanpak eenvoudiger is om toe te passen in de praktijk.) Met andere woorden: zelfs de Commissie geeft schoorvoetend toe dat de doctrine van de Pensioenvoordelenzaak zeer moeilijk te rechtvaardigen is in theorie. Het meest directe praktische gevolg van deze doctrine is dat computeralgoritmen en bedrijfsmethoden niet langer geweigerd kunnen worden zonder eerst een duur nieuwheidsonderzoek te verrichten. Vermits vele nationale octrooibureaus (b.v. het Franse OB) geen nieuwheidsonderzoeken doen, kunnen examinators geen enkel patent meer uitsluiten wegens een gebrek aan een technische bijdrage, zelfs niet onder de meest laxe criteria voorgesteld door deze richtlijn. Bovendien creëert de doctrine van de Pensioenvoordelenzaak een maximum aan verwarring en juridische onzekerheid rond het concept van technische bijdrage, zodat gezaghebbende octrooirechtbanken niet langer ter verantwoording kunnen geroepen worden op grond van eender welke wet. #gfy: De term %(q:in een computer geïmplementeerde uitvinding) werd ingevoerd en gedefinieerd door het EOB in 2000 als een eufemisme voor %(q:computerprogramma's) (regels voor het gebruik van conventionele elementen van een gegevensverwerkingssysteem, zoals een processor, opslag, invoer/uitvoer etc), dewelke geen uitvindingen zijn in de zin van het octrooirecht. Het voorstel van de Commissie is gewoon een kopie van de definitie van het EOB. #xrW: Het EOB en de Commissie zijn voorzichtig om %(q:in een computer geïmplementeerde uitvinding) zeer nauw te definiëren, zodat enkel pure computerprogramma's eronder vallen. De %(q:prima facie) nieuwe bijdrage moet bestaan uit de manier waarom het gegevensverwerkingssysteem is geprogrammeerd, niet uit perifere technische processen. Een nieuwe manier om autobanden aan hitte bloot te stellen via controle door een computerprogramma, zou %(e:geen) %(q:in een computer geïmplementeerde uitvinding) zijn volgens de definitie van het EOB en de Commissie. #uht: De rechttoe-rechtaan formulering van de Commissie werd een gemakkelijk te bekritiseren onderwerp voor veel mensen. Net zoals in het geval van Artikel 3, heeft de werkgroep van de Raad niets gedaan om de doctrine van de Commissie te wijzigen, maar heeft ze zich bezig gehouden met het verwarren van de formuleringen. In het document van de Raad kunnen bijgevolg zowel pure gegevensverwerkingsprocessen als nieuwe manieren om natuurkrachten te beheersen %(q:in computers geïmplementeerde uitvindingen) zijn. De formulering van de Raad slaat op elk proces aangestuurd door een computer en omvat zo alle objecten in alle technische en non-technische velden. Men kan zich afvragen welk nut deze term bijgevolg nog kan hebben, met een dergelijke algemene definitie. #hte: Het parlement heeft gekozen om de term %(q:in een computer geïmplementeerde uitvinding) op een dergelijk manier te definiëren dat hij exact betekent wat het EOB en de Commissie niet willen, en dat hij juist uitsluit wat zij willen: daar refereert hij enkel naar perifere technische processen, en niet naar computerprogramma's als zodanig. #nfg: Op die manier zegt het Parlement duidelijk wat de Commissie en de Raad vaak beweren dat ze beogen: de door een computer uitgevoerde algoritmen die een anti-blokkeringssysteem (ABS) controleren, zijn niet octrooieerbaar, maar het ABS-systeem in zijn geheel, met technische constructies, hitte, wrijving en een nieuwe manier om ze te gebruiken zoals beschreven in de conclusies, kan een octrooieerbare uitvinding zijn. Hoewel het werk van de procesingenieur octrooieerbaar is, is dat van de programmeur het niet. #ahe: De Werkgroep wil niet beslissen waar het Orwelliaanse woord %(q:in een computer geïmplementeerde uitvinding) nu naar moet verwijzen: computerprogramma's als zodanig (voorstel van de Commissie) of gecomputeriseerde technische uitvindingen (voorstel van het Parlement). Dit kan misschien politiek gezien slim lijken, maar het heeft zware gevolgen voor de juridische praktijk. Onder de versie van de Werkgroep, kunnen octrooiadvocaten zelf beslissen of een proces als een %(q:in een computer geïmplementeerde uitvinding) behandeld moet worden, i.e. of het speciaal regime geïntroduceerd door deze richtlijn erop toegepast moet worden. Eender welk octrooieerbaar proces moet reproduceerbaar zijn en zal bijgevolg in de praktijk automatisch uitgevoerd worden, i.e. onder de controle van een computer. Indien de octrooiadvocaat deze eigenschap in de octrooiconclusies plaatst, zal de zal de richtlijn van de Werkgroep van toepassing zijn, dewelke sterk afwijkt van de gewone octrooiwetgeving. Volgens Art 5(2) wordt het b.v. mogelijk om een computerprogramma te claimen zonder proceshardware. Op deze manier kan men een Turing-complete beschrijving van een chemisch proces in de conclusies opnemen, ongeacht of de programmalogica nieuw is of niet. Een dergelijke tendens kan ook vandaag de dag reeds opgemerkt worden. Dit geeft tot gevolg dat octrooiaanvragers secundaire programmeer- en publicatiesectoren van de markt kunnen controleren. Het principe dat octrooien als doel hebben technische informatie te verspreiden (i.p.v. de informatie zelf te monopoliseren), wordt hierdoor op systematische wijze ontkracht, en niet enkel voor het speciaal geval van softwarepatenten. #mts: We hebben herhaaldelijk aangetoond met welke retorische trucs het document van de Raad de onoplettende lezer tracht te misleiden. #egr: We hebben een aantal van deze trucs %(cj:opgesomd en geanalyseerd) in de zomer van 2003, toen ze gekopieerd en geplakt waren door Arlene McCarthy en het JURI-Committee. #ebw: Een gedetailleerde analyse van de retorische strategieën die het werkdocument van de Raad doorspekken zal hier nog toegevoegd worden. #ute: De meeste gebruikte retorische truc werkt als volgt: #inW: [A] is niet octrooieerbaar, tenzij aan [voorwaarde B] voldaan is #hnr: waarbij, bij nader inzien, aan voorwaarde B altijd voldaan is. #rWn: De leden van de EU-Raad Werkgroep hebben hun vorige positie vóór onbeperkte octrooieerbaarheid en afdwingbaarheid van octrooien met betrekking tot software verder versterkt. Hierdoor hebben ze een extreme tegenpositie ingenomen t.o.v. het Europees Parlement, wat verdere onderhandelingen zeer moeilijk maakt. Bepaalde posities ingenomen door de Werkgroep, zoals het vasthouden aan programmaconclusies, dienen geen enkel herkenbaar belang, afgezien van het moeilijk maken van de onderhandelingen. Dit werpt vraagtekens op bij de bedoelingen van de Werkgroep. #dnd: De leden van de Werkgroep komen regelmatig samen, zowel in de Raad van de Europese Unie als in de Administratieve Raad van het Europese Octrooibureau (EOB), dewelke het EOB bestuurt. Zij zijn een persoonlijke verbinding tussen het EOB en de EU. Binnenin het EOB zijn ze de specialisten wat betreft de wetgeving. Ze zijn terughoudend om deze macht met eender wie te delen. EU-deelneming is welkom, zolang dat dit betekent dat de EU het beleid van de Werkgroep goedkeurt zonder vragen te stellen. Wanneer de EU de wijsheid van de Werkgroep in vraag stelt, sluit zij alle communicatiekanalen naar buiten toe af en schaart ze zich rond de posities waarrond haar gezag ontstaan is, i.e. de oneindige wijsheid van de Technische Raad van Beroep. De Werkgroep zou maar al te graag het project rond de EU-richtlijn opgeven en haar lijn doorzetten via diplomatische conferenties en andere ondoorzichtige intergouvernementele wegen, waar geen parlement en geen publieke discussie ter sprake komt. Frits Bolkestein %(sp:vermeldde) dit publieke geheim openbaar in het Europees Parlement de dag voor de plenaire stemming. #riA: De situatie is gekomen tot op een punt waar het monopolie van de Werkgroep duidelijk in de weg staat van de ontwikkeling van de EU's wetgevende macht op vitale gebieden wat betreft economische politiek. #tnW: explains fairly concisely why the Council's %(q:compromise document) is the worst of all proposals on software patents that have come out of the Brussels process. #spW: Council Presidency 2004-03-17 %(q:Compromise Paper) on Software Patent Directive #hel: published 2-3 weeks later on the consilium site in English and German, with all information about positions of national delegations deleted. #til: latest public version on Council website #sWW: Translations to the last remaining EU languages appeared around 18th of August. #nmk: Council Document 2004-05-25 #tWs: latest published version #lcW: HTML van het oorspronkelijke MSWord document. #cgW: Werkdocument ST09051 van de Raad #ebn: a recent unpublished version with footnotes about positions of national delegations # Local Variables: ; # coding: utf-8 ; # srcfile: /usr/share/emacs/site-lisp/phm/mlht/app/swpat/cons0401.el ; # mailto: mlhtimport@a2e.de ; # login: jmaebe ; # passwd: YYYYY ; # feature: swpatamendb ; # dok: cons0401 ; # txtlang: nl ; # multlin: t ; # End: ;